Kunstmakelaardij Metzemaekers
Op deze pagina vindt u een overzicht van kunstenaars waarvan u op deze site meer informatie kunt vinden.

Doesburg, Theo van [3 ]

Utrecht, 30 augustus 1883 - Davos, 7 maart 1931

Biografie: Theo van Doesburg

Theo van Doesburg, pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper was een Nederlands kunstenaar en schrijver. Hij was vanaf 1899 actief als kunstschilder en hield zijn eerste expositie in 1908, schreef vanaf 1912 kunstkritieken, verhalen en toneelstukken in diverse tijdschriften en richtte in 1916 met Piet Mondriaan, Vilmos Huszàr en Bart van der Leck een groep op, waar later De Stijl uit voort zou komen, naar het in 1917 door Van Doesburg opgerichte en door hem zelf geredigeerde tijdschrift. Hij was vanaf 1904 actief als dichter, na 1920 uitsluitend onder heteroniem I.K. Bonset en publiceerde vanaf 1921 een anti-filosofische roman onder pseudoniem Aldo Camini. Daarnaast hield hij zich bezig met typografie, fotografie, film, mode en muziek. Van Doesburg propageerde een wereld waarin de kunsten een meer verheffende, a-politieke en gelijkwaardige plaats ten opzichte van elkaar innamen binnen het theoretische kader van de Nieuwe Beelding. Hiervoor zocht hij aansluiting bij de internationale avant-garde. Vlak voor zijn dood vestigde hij zich als architect in Meudon.

Van Doesburg was het zevende en laatste kind van de Duitse fotograaf Wilhelm Küpper en zijn vrouw Henrietta Margadant. Eigenlijk was hij een ongewenst kind, omdat zijn vader op dat moment nauwelijks in het onderhoud van zijn gezin kon voorzien. Een jaar na Emiles geboorte ging het fotoatelier van zijn vader failliet en vertrok hij naar Duitsland. In september 1884 ging het resterende gezin bij de horlogemaker Theodorus Doesburg in Amsterdam wonen. Pas nadat Wilhelm Küpper in 1892 in Lindenhöhe bij Keulen overleed, hertrouwde zijn moeder in juli 1893 met Theodorus Doesburg.

Op de lagere school was Emile een lastige leerling. Omdat hij niets anders wilde doen dan lezen, werd hij van school gestuurd. Middelbaar onderwijs of een vervolgopleiding heeft hij nooit voltooid. Wel bezocht hij korte tijd de School voor Vocale en Dramatische Kunst van Cateau Esser in Amsterdam, maar het verlangen groeide om schilder en/of schrijver te worden. Zijn eerste schilderkunstige probeersels dateren van 1899 en omstreeks 1902-1903 volgde hij enkele schilderlessen van de schilder Adri Grootens. Verder bleef hij zijn leven lang autodidact. Zijn eerste werk signeerde hij met de naam van zijn stiefvader: Theo Doesburg, waar hij in 1902 het tussenvoegsel "van" aan toevoegde. Op 12 maart 1903 werd hij opgeroepen voor militaire dienst en vanaf 1906 nam hij tot en met 1914 elke twee jaar deel aan herhalingsoefeningen.

In de periode 1903-1913 legde hij zich toe op de zelfstudie van de sociologie, filosofie en ethiek, maar ook politiek en religie hadden zijn interesse, getuige zijn lidmaatschap van de Vrijzinnig Democratische Bond en zijn toetreding tot de gereformeerde kerk. In deze zoektocht leerde hij omstreeks 1903 de eveneens autodidactische dichteres Agnita Feis kennen, aan wie hij in september 1904 een aantal van zijn eerste gedichten opdroeg. Een fragment van één van deze gedichten luidt:

Dit is opmerkelijk want de schilderijen uit zijn beginperiode zijn vaak bruinachtig en dik aangezet en sluiten aan bij de toen gangbare Amsterdamse School. In het begin schilderde hij vooral landschappen, omstreeks 1904, om inspiratie op te doen, ook 's nachts. Maar de landschapschilderkunst bevredigde hem steeds minder. Vanuit een humanistisch-christelijk standpunt, mogelijk beïnvloed door Van Gogh, interesseerde hij zich steeds meer voor de 'lijdende en zwoegende' mens. 'God [heeft] de kunst gezonden heeft om [...] hiervan getuigenis af te leggen', schreef hij op 18 juli 1910 aan zijn vriend, de amateurschilder Christian Leibbrandt. Om zich te bekwamen in de portretschilderkunst maakte hij talloze zelfportretten, waarbij hij zich graag als 'geestelijk werkman', met pet en werkkleding, afbeeldde. De studie naar de mens wekte echter ook de behoefte deze een spiegel voor te houden, wat resulteerde in een serie karikaturale litho's naar voorbeeld van de beroemde Franse karikaturist Honoré Daumier, die in 1910 verschenen in zijn literaire debuut, De maskers af!.


Johannes Verhulststraat 33 (links).Van Doesburgs ouders keurden zijn relatie met Feis echter af, waardoor hij in 1907 zonder vast inkomen het ouderlijk huis verliet. Met de hulp van Leibbrandt wist hij echter een bestaan voor zichzelf op te bouwen, in 1908 vond in de Haagsche Kunstkring zijn eerste tentoonstelling plaats (zie Exposities van Theo van Doesburg) en van 1908 tot 1912 verdiende hij zijn geld door het geven van tekenlessen aan Johanna Pieneman. In 1909 gingen Feis en Van Doesburg samenwonen op de Johannes Verhulststraat 33 en op 4 mei 1910 volgde hun huwelijk. Het was een huwelijk van gelijkwaardigheid. Feis hield haar meisjesnaam en de taken waren duidelijk verdeeld, maar uit alles blijkt dat hun huwelijksleven ondergeschikt was aan hun beider geestelijke ontplooiing.

Vanaf het midden van 1912 schreef Van Doesburg recensies en kunstbeschouwingen voor verschillende bladen. Aanvankelijk had hij weinig op met de kunst van kubisten als Picasso of Braque en het abstracte werk van Kandinsky. Hieraan kwam in 1913 echter plotseling een einde na het lezen van het Kandinsky's Rückblicke, waarin deze terugblikt op zijn ontwikkeling als kunstschilder van 1903-1913. Van Doesburg raakte overtuigd van de 'vergeestelijking' van de kunst en het feit dat abstractie hier een logisch gevolg van is. Net als Kandinsky wilde Van Doesburg zich nu actief inzetten om zijn nieuw verkregen inzichten te verdedigen en te verkondigen. Zijn eerste statement is een zelfportret, waarop hij zichzelf precies zo afbeeldde als Kandinsky zich op een portretfoto in zijn Rückblicke liet fotograferen: niet als ambachtelijk schilder met werkkleding en schilderspet, zoals voorheen, maar als onafhankelijk, zelfbewust wereldburger (zie afbeeldingen links). Maar Van Doesburg had aanvankelijk grote moeite aan deze 'vergeestelijking' gestalte te geven. Het schilderij Meisje met ranonkels, dat hij het jaar daarop voltooide, is zijn eerste serieuze poging in die richting. Hoewel het onderwerp nog steeds herkenbaar is, merkt Van Doesburg op dat het onderwerp slechts nog motief is.


Theo van Doesburg in militaire dienst. Circa 1915. Den Haag, RKD.In juli 1914 nam hij deel aan een laatste herhalingsoefening in Fort Veldhuis. Vrijwel direct na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, op 1 augutsus 1914, werd Van Doesburg - als sergeant-facteur Küpper - met de Amsterdamse Landsweer ingekwartierd op de Regte Heide aan de Belgische grens in Noord-Brabant. De gruwelijke ooggetuigenverslagen van Belgische vluchtelingen schokten hem hevig en hij verloor al zijn vertrouwen in de mens en zelfs in het geloof zoals hij het kende. Aan het 'front' was verder weinig te doen en dus schreef hij talloze tijdschriftartikelen, gedichten en brieven, waarin hij zijn afschuw voor deze in zijn ogen nutteloze oorlog uitte. Naast Amsterdammers waren op de Regte Heide vooral Friese soldaten gelegerd, waaronder ook de Drachtster schoenmaker-dichter Evert Rinsema, met wie hij, vanwege hun gemeenschappelijke interesse in literatuur, zijn verdere leven bevriend bleef. In januari 1915 werd hij overgeplaatst naar Tilburg. Zijn oude, Amsterdamse vriend, Maurits Manheim, die al enige tijd in Tilburg werkzaam was als kantoorbediende bij de wolstoffenfabriek van E. Elias, stelde hem in het najaar van 1914 voor aan de uit Rotterdam afkomstige Antony Kok, die werkte als klerk-telegrafist op het station van Tilburg. Manheim, Kok en Van Doesburg organiseerden begin 1915 in café Jansen, tegenover het station, zogenaamde soirées intimes, waar muziek werd gemaakt en experimentele gedichten werden voorgedragen. Met Kok besprak hij rond deze tijd ook de mogelijkheden van een literair-cultureel tijdschrift. Via Manheim leerde hij ook Lena Milius kennen. Van Doesburg werd verliefd op Lena en vond in haar een meer begripvolle, warme en tolerante partner dan zijn Agnita. Hij droeg het gedicht 'Mijne liefde...' aan haar op dat hij op 30 januari 1915 - tot groot verdriet van Feis - publiceerde in het tijdschrift Eenheid.

Aan het einde van zijn Tilburgse periode begon Van Doesburg zich weer op de moderne kunst te richten. Zo bezocht hij begin juni 1915 de voorjaarstentoonstelling van De Onafhankelijken, waarover hij schreef in Eenheid en hij, naar aanleiding van werk van Lou Saalborn en Laurens van Kuik, de schetsen Straatmuziek I en II maakte. Veel vroeg-abstracte kunstenaars, waaronder ook Kandinsky, gebruikten muziek als motief om vorm te geven aan hun innerlijke gevoelsleven. Bovendien had in de muziek de vergeestelijking, die zij nastreefden, al een veel concretere vorm aangenomen dan de andere kunsten.

In de zomer van 1915 veroorzaakten groepjes rondom Tilburg gelegerde soldaten relletjes en opstootjes in de stad, waardoor Van Doesburgs legeronderdeel in september naar Utrecht overgeplaatst werd. Daar verbleef hij eerst in een kazerne, maar vond niet veel later een kamer aan de Leidsekade. In Utrecht kwam hij via oogarts en amateurschilder Gesinus ten Doesschate in oktober in contact met de Utrechtse schilder Erich Wichmann, die hem op zijn beurt, als we de 'Intieme inleiding' van het door Van Doesburg geschreven boekje De schilder De Winter en zijn werk mogen geloven, voorstelde aan de excentrieke 'schilder-mysticus' Janus de Winter. Zijn ‘verbeeldingen' van ‘innerlijke waarneemingen in kleuren en vormen' maakten diepe indruk op Van Doesburg en hij gebruikte al zijn contacten om deze ‘zuiver theosofische kunstenaar' aan te prijzen. Ook droeg hij het bijzonder lyrische gedicht ‘De priester-kunstenaar' aan hem op en werd hij door hem aangezet tot het maken van een serie visioenachtige voorstellingen.


Geabstraheerd portret. 1915. Stedelijk Museum De Lakenhal.Ook keek Van Doesburg rond deze tijd naar werk van de theosoof Charles Webster Leadbeater,[19] en experimenteerde hij met het kubisme, waarin, in navolging van Paul Cézanne, de werkelijkheid geometrisch vervormd werd. Maar, zo vertelde hij in de lezing De ontwikkeling der moderne schilderkunst, die hij op 30 oktober 1915 en 16 februari 1916 voor Genootschap Kunstliefde in Utrecht hield, het ‘coloriet raakt [bij hen] op den achtergrond'. Voor Van Doesburg was een schilderkunst zonder kleur kennelijk ondenkbaar.


Geabstraheerde kerk. 1915 (?). CMU.Des te opmerkelijk is het dat Van Doesburg even laaiend enthousiast was over het werk van Piet Mondriaan als over dat van De Winter, waarmee hij eind 1915 in contact kwam. Anders dan De Winter was Mondriaan via het kubisme tot abstractie gekomen en hij gaf geen uiting aan zijn innerlijke gevoelsleven, maar baseerde hij zich op de werkelijkheid om hem heen. Kleur stond, althans in zijn 'pier en oceaan'-schilderijen, niet op zijn repetoire. In oktober 1915 stuurde Mondriaan hem een foto van een tekening van de gevel van de kerk van Domburg, waarop Van Doesburg een soortgelijke tekening maakte. Ook wees Mondriaan hem op het toch wel erg willekeurige en toevallige karakter van De Winters werk, waarna Van Doesburg wat meer afstand nam van zijn 'priester-kunstenaar'. Op 6 februari 1916 ontmoetten beiden elkaar voor het eerst.

Na zijn demobilisatie in februari 1916 kon hij vanwege zijn inmiddels openlijke verhouding met Lena Milius niet meer bij zijn vrouw terugkeren en dus ging hij tijdelijk bij zijn moeder en zus op de Schoterweg 6 in Haarlem wonen. Op 24 maart 1916 richtte hij met Erich Wichman en Lou Saalborn kunstenaarsvereniging De Anderen op, waarmee hij van mei tot juni van dat jaar exposeert bij kunsthandelaar Herman d'Audretsch in Den Haag. Ook De Winter was lid van De Anderen. Toen De Winter zich op het laatste moment echter uit de groep terugtrok, omdat hij andere, meer invloedrijke promotors vond in de personen Henri Borel en Frederik van Eeden, voelde Van Doesburg zich zwaar geschoffeerd. Ondanks deze tegenvaller was de tentoonstelling voor Van Doesburg een klein succes: zijn eerste genummerde compositie, Compositie I (stilleven) - mogelijk geïnspireerd op werk van de Tsjechische kunstenaar Emil Filla, dat hij in maart zag op de tentoonstelling 'Expressionisten Cubisten', eveneens bij D'Audretsch - werd aangekocht door de invloedrijke kunstpedagoog H.P. Bremmer voor de verzameling van mevrouw Kröller.

Voorjaar 1916 publiceerde hij in het tijdschrift De Beweging de artikelenreeks ‘De nieuwe beweging in de schilderkunst', in 1917 in boekvorm uitgegeven als De nieuwe beweging in de schilderkunst. Naar aanleiding hiervan schreef de architect J.J.P. Oud hem op 30 mei een interessante brief, waarin hij Van Doesburg wees op de overeenkomst van de moderne schilderkunst met de moderne architectuur. Deze brief werd later dat jaar gepubliceerd als ‘Over cubisme, futurisme, moderne bouwkunst enz.'. Hierin schrijft hij onder meer:

Glas-in-loodcompositie I. 1916. Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal. De vlakken waarmede wij, als ruimtekunstenaars, onze ontroering realiseeren, zal zij [de schilderkunst] kunnen „bezielen" en tot een wezenlijk bestanddeel der ruimte maken, dat haar inniger en ontroerender kan doen zijn.

Een eerste voorzichtige poging in die richting was de opdracht, die Oud hem in augustus 1916 gaf, een glas-in-loodraam te ontwerpen voor de deur van een burgemeesterswoning in Broek in Waterland (zie afbeelding links). Voor deze eerste glas-in-lood-compositie ging Van Doesburg te rade bij de Hongaarse kunstenaar Vilmos Huszàr, die hij kende via de HKK. De opdrachtgever was zeer tevreden over het resultaat en liet hem in het voorjaar van 1917 nog eens vier ruitjes boven dezelfde deur ontwerpen. Later zou Oud hem nog bij diverse projecten betrekken, zoals Villa Allegonda in Katwijk aan Zee, Vakantiehuis De Vonk en woningbouw in de Rotterdamse wijk Spangen. In mei 1916 richtte Van Doesburg een tweede kunstenaarsvereniging op, de Leidsche Kunstclub De Sphinx. Op verzoek van Oud werden ook architecten toegelaten.

Eén van de leden van deze vereniging was de Haagse architect Jan Wils. Wils had zich op dat moment als volgeling van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright op de kaart gezet als één van de meest vooruitstrevende architecten van Nederland en net als Oud betrok Wils Van Doesburg bij een aantal van zijn projecten. Zo ontwierp Van Doesburg in 1917 vijf glas in loodramen voor een door Wils ontworpen onderwijzerswoning in Sint Anthoniepolder en ornamentranden voor de daarachter gelegen school en kreeg hij van Wils alle vrijheid bij de decoratie van Huis De Lange in Alkmaar. Eind 1916 gaf hij op verschillende plaatsen de lezing Het aesthetisch beginsel in verband met de moderne beeldende kunst, zoals op 22 november in Haarlem en op 20 december voor architectuurgenootschap Architectura et Amicitia in Amsterdam.

Via Mondriaan en Huszàr leerde hij in 1916 ook de schilder Bart van der Leck kennen en samen richtten zij de groep ‘bewust abstracten' of ‘werkelijk anderen' op, als afscheiding van het naar hun smaak te expressionistische De Anderen. Begin 1917 begon een nieuwe fase in Van Doesburgs oeuvre, de Nieuwe Beelding of Neo-plasticisme. Onder invloed van zijn nieuwe vriendenkring gebruikte hij alleen nog maar horizontale en verticale lijnen en kleurvlakken, waaruit vrijwel elke 'natuurlijke' invloed verdween. Hoewel deze werken nog steeds uit de waarneembare werkelijkheid zijn ontstaan - zo is zijn Compositie XII in zwart en wit gebaseerd op een landschap, en zijn Compositie in dissonanten op een portret van een vrouw - schijnt Van Doesburg het radicaalst te zijn geweest in zijn opvattingen. Zo meende Lena Milius zich te herinneren dat toen Mondriaan hem een keer in Leiden opzocht en daar L'homme à la pipe (Compositie VI) zag, hij daar nog niet aan toe was.

Na enige tijd in Zoeterwoude gewoond te hebben, vestigde hij zich in december 1916 in Leiden. Daar woonde hij achtereenvolgens op de Da Costastraat 9 (toen Maria Gondastraat genoemd), de Stadhouderslaan 32 en de Morsweg 20. Ook huurde hij een atelier op het Kort Galgewater 3. Op 11 mei 1917 werd ook de scheiding tussen Van Doesburg en Feis uitgesproken, na bijna drie jaar gescheiden van elkaar geleefd te hebben. Dezelfde maand nog, op de 30e, trouwt hij met Lena Milius.

In mei 1917 was Van Doesburg druk bezig met de voorbereiding van een tijdschrift voor de groep ‘bewust abstracten'. Hij had toen al de toezegging van Mondriaan en Van der Leck en een belangrijke impuls was ook een voorschot van fl. 600,- op een toezegging van fl. 3.000,- die de Zwitserse verzamelaar Karl Friedrich Meyer-Fierz (1847-1917), die hij in november 1916 leerde kennen, aan Van Doesburg stuurde. Hij noemde het heel toepasselijk De Stijl, omdat Van Doesburg meende dat in de stijl die hij voor ogen heeft, alle bestaande kunststijlen, of het nu gaat om schilderkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst of poëzie, tot hun essentie zijn teruggebracht en daarmee universeel zijn. 'Het is alleen voor Beeldende Kunst en Kunstnijverheid. Gaat het goed dan breid ik het enorm uit: muziek, literatuur enz.', schreef hij op 19 mei aan Kok.


Advertentie lezing 'De stijl der toekomst'.Door papierschaarste en het vinden van adverteerders kwam het eerste nummer van De Stijl pas in oktober uit. De eerste 'medewerkers' - zoals Van Doesburg ze noemde - van De Stijl waren (in volgorde van verschijning): Piet Mondriaan, Bart van der Leck, Anthony Kok, J.J.P. Oud, Gino Severini, Jan Wils, Robert van 't Hoff, Huib Hoste en Georges Vantongerloo (zie afbeelding hierboven).

Op 8 januari 1918 gaf Van Doesburg een lezing met 'lichtbeelden' bij Amicitia in Amersfoort, getiteld 'De stijl der toekomst'. Ook deze werd 1919 gepubliceerd in het boekje Drie voordrachten over de nieuwe beeldende kunst.

Voorjaar 1918 verliet Van der Leck de groep vanwege een artistiek meningsverschil met Van Doesburg en Mondriaan over het gebruik van vlakken en (diagonale) lijnen, enerzijds, en omdat Van Doesburg zich negatief uitliet over het werk van zijn vriend Peter Alma, anderzijds.

Op 29 juli 1918 verscheen een artikel van architect Huib Hoste in De Nieuwe Amsterdammer, waarin hij 'om af te kammen wat men onder den naam van kunst in sommige Roomsche kerken opstelt' ervoor uitkwam rooms-katholiek te zijn. Van Doesburg vatte dit op als 'boete doen' voor zijn eerder verschenen artikel in de De Stijl en noemde hem vervolgens eclectisch en iemand met twee monden.

Najaar 1918 ontstonden er ook problemen tussen hem en de uitgever, C. Harms Tiepen, waardoor Van Doesburg het vanaf november van dat jaar in eigen beheer uitgaf. Die maand publiceerde hij ook het eerste manifest van De Stijl, Manifest I, dat naast hemzelf door Van 't Hoff, Huszàr, Kok, Mondriaan, Vantongerloo en Wils ondertekend werd. Anticiperend op meer internationale bewegingsvrijheid nu de oorlog voorbij was - 'zoodra het verkeer met het buitenland weer hersteld is' -, publiceerde hij dit manifest ook in het Frans, Duits en Engels.

In 1918 kreeg Van Doesburg onenigheid met Huszàr over diens kleurenschema van het interieur van Robert van 't Hoffs woonboot De Stijl. Met Wils kwam het in de winter van 1918/1919 tot een breuk, nadat Wils geschreven had voor het aan de Amsterdamse School verwante blad Levende Kunst. Hoewel hij positief schreef over het werk van Van Doesburg, voelde deze zich verraden en royeerde hij hem als lid van De Stijl.

Najaar 1919 zegde Van Doesburg de communistische schilder Chris Beekman toe zijn netwerk te gebruiken om een petitie rond te laten gaan om handtekeningen te verzamelen voor een vrij postverkeer met Rusland, aan te bieden aan het Nederlandse parlement. Toen Van Doesburg dit echter verzuimde, liet de eveneens communistische architect Robert van 't Hoff op 10 oktober via Antony Kok weten niet meer met Van Doesburg als redacteur van De Stijl te kunnen samenwerken. Eerder dat jaar had Van 't Hoff Van Doesburg nog gewezen op de experimentele meubels van Gerrit Rietveld. Van Doesburg vond dat deze de ideeën van De Stijl in drie dimensies uitdrukte en publiceerde ze in zijn tijdschrift. Toen Van Doesburg in november 1919, ondanks de afspraak onder de leden van De Stijl alleen nog gezamenlijk te exposeren, toch deel nam aan de Jaarbeurs voor Kunstnijverheid in Amsterdam, was de breuk met Van 't Hoff compleet.

In oktober/november 1921 stelde Oud vraagtekens bij Van Doesburgs kleurontwerp van woningblokken VIII en IX in de Rotterdamse wijk Spangen, waarop Van Doesburg hem op 3 november vanuit Duitsland boos terugschreef: "Entweder so - oder nichts", waarop Oud het al uitgevoerde deel van Van Doesburgs ontwerp liet overschilderen. In november 1922 maakte Oud bekend niet meer met Van Doesburg, of welke beeldend kunstenaar dan ook, samen te werken, omdat hij vond dat kleur in de architectuur niet al te overheersend moest zijn.

Theo en Nelly van Doesburg in Mondriaans atelier in Parijs. Voorjaar 1921.Op 18 februari 1919 gaf hij een lezing bij Pictura Veluvensis in Renkum en op 13 februari 1920 bij de kring Moderne Kunst in de Lutgardiszaal in Antwerpen, die in 1920 werd uitgegeven onder de titel Klassiek-Barok-Modern. Het is een voorbeeld van de reactie op Berlage en 'zijn' Amsterdamsche School, die volgens Van Doesburg het decoratieve, barokke beginsel nooit hadden losgelaten. Ook het tijdschrift Wendingen van H. Th. Wijdeveld moest het vaak ontgelden in Van Doesburgs artikelen. Hij vergeleek het met een stuurlozen windwijzer, 'motto you never can tell of zoo de wind waait, waait mijn hoedje'. Nadat de Duitse architect Erich Mendelsohn zich liet verleiden tot een verzoeningspoging tussen Van Doesburg en Wijdeveld, omschreef Van Doesburg hem als 'iets provinciaal-duitsch met laphoedje op' en zag hij in de hele affaire een bewijs voor de halfslachtige houding van de duitsers.

Eind februari 1920 reist hij naar Parijs, waar hij op 6 maart in het atelier van Mondriaan voorgesteld wordt aan de invloedrijke, Parijse kunsthandelaar Leonce Rosenberg, die de leden van De Stijl een tentoonstelling aanbiedt in zijn galerie 'L'Effort Moderne', die zou moeten bestaan uit een speciaal voor Rosenberg ontworpen buitenhuis annex 'cultuurcentrum'. Ook benoemt de Russische kunstenaar Alexander Archipenko hem in Parijs tot Nederlandse ambassadeur van de Franse kunstenaarsgroep La Section d'Or en bezoekt hij verder Léger en Gino Severini. Daarnaast maakt hij in Parijs voor het eerst echt goed kennis met de dadaïstische activiteiten van Francis Picabia en Tristan Tzara. Vooral Picabia maakt diepe indruk op Van Doesburg, die hem in het artikel 'Dada' in De Nieuwe Amsterdammer tot voorman van de dada-beweging verklaart. Pas na een persoonlijke ontmoeting met Tzara in juni 1920 stelt hij zijn mening bij en roept hem uit tot leider van die beweging. Op zijn terugreis houdt hij op 15 maart nog een lezing in Brussel.

Na zijn bezoek aan Parijs vond Van Doesburg het tijd ook aandacht aan de literatuur te besteden en dus publiceerde hij in april 1920 het manifest 'De Literatuur', waarmee hij zijn literaire loopbaan 'afsloot'. Om vervolgens het dadaïsme in De Stijl te kunnen opnemen, zonder Mondriaan en andere leden van De Stijl te zeer van zich te laten vervreemden, gebruikte hij, voor zijn literaire werk, voortaan het heteroniem I.K Bonset, dat een anagram zou zijn van 'Ik ben sot').

Van juni 1920 tot april 1921 huurde Van Doesburg een woning op de Haarlemmerstraat 73a in Leiden van een Mevrouw J. Rees-Rookmaaker. Tijdens de opening van de tentoonstelling La Section d'Or bij de HKK op 11 juli ontmoette hij de pianiste Nelly van Moorsel, met wie hij, zeer tegen de zin van haar ouders, een relatie begon. In september 1920 werd hij door Evert Rinsema voorgesteld aan de architect Cees Rienks de Boer voor wie hij een groot aantal kleurontwerpen maakte en glas-in-loodramen ontwierp. Eind december reisde hij naar Berlijn om daar de abstracte films van Hans Richter en Viking Eggeling te bekijken. Direct na aankomst zocht hij contact met de architectuurcriticus Adolf Behne. Twee dagen na aankomst, op 20 december, vond in het huis van architect Bruno Taut een ontmoeting plaats met Walter Gropius, Adolf Meyer, Fred Forbát, Adolf Behne, de gastheer en enkele Bauhaus-studenten. Tijdens deze bijeenkomst werd heftig gediscussieerd over passende kleuren in de architectuur, zoals die in het huis van Taut te zien waren. Van Doesburg liet werk van De Stijl zien en Gropius vertelde over de activiteiten van het Bauhaus. Van Doesburg toonde zich zeer geïnteresseerd, waardoor Gropius hem aanraadde Weimar te bezoeken, wat hij een week daarna ook deed. In Weimar sprak hij Forbat, Muche, Itten, Feininger en verschillende keren Gropius, vaak in gezelschap van Gropius' medewerker Meyer. Ook hield hij er in januari 1921 de lezing Stijl-eenheid. Later die maand ontmoette hij in Berlijn ook de Russische kunstenaar El Lissitzky. Ondertussen was Nelly van Moorsel van huis weggelopen en in Leiden opgevangen door Oud en Van Doesburgs vrouw Lena. Op 17 maart 1921 begon Van Doesburg met een lezingentour door België, Frankrijk, Italië en Duitsland, begeleid door Nelly. Hierna hebben ze elkaar nooit meer verlaten.

In het meinummer van 1921 van De Stijl introduceert Van Doesburg een nieuwe pseudoniem in de vorm van Aldo Camini, een op jonge leeftijd overleden, Italiaanse dadaïst, wiens 'manuscript' hij "op het atelier van den modernen schilder C. C. [Carlo Carrà] (den metaphysicist) op de Piazza St. Fedele [sic] te Milaan" gevonden zou hebben. Dit 'manuscript' publiceert hij vervolgens in De Stijl onder de titel Caminoscopie, 'n antiphilosofische levensbeschouwing zonder draad of systeem. Als zodanig probeert hij de filosofie te verbannen uit de literatuur. De Caminoscopie is een mengeling van de antifilosofie van Giovanni Papini en futuristische poetica van wetenschap en technologie, die met name bij Carrà een metafysische bijklank heeft.

Postkaart die Van Doesburg op 12 september 1921 aan Anthony Kok schreef. Namenlijst voor de eerste Stijlcursus in Weimar van maart tot juli 1922.In april 1921 vestigt Theo van Doesburg zich langere tijd in Weimar, vanwaar hij De Stijl blijft publiceren. Hier biedt Bauhaus-docent Adolf Meyer hem een flat aan en een Bauhaus student stelt hem zijn atelier ter beschikking voor het geven van colleges. Het Bauhaus, waar ondanks de progressieve aspiraties van directeur Walter Gropius, de Romantische en Arts and Crafts-achtige ideeën van met name docent Johannes Itten de boventoon voeren, wil Van Doesburg graag als docent in dienst nemen. Itten en Van Doesburg zijn elkaars tegenpolen. "Hij [Van Doesburg] droeg bij voorkeur een zwarte hoed en modieuze pakken. Itten daarentegen [...] ontwierp een soort priestergewaad en schreed daarmee net zo ongegeneerd door Weimar als Van Doesburg met zijn mononcle, witte stropdas en zwarte hoed te koop liep (allebei tot verbazing van de burgerij)", weet voormalig Bauhaus-student Werner Graeff zich later te herinneren.

Toch wordt zijn verzoek tot aanstelling afgewezen. Van Doesburgs radicale en vaak tactloze optreden tegenover enkele Bauhaus-docenten maakt het Gropius onmogelijk hem aan te nemen, terwijl hij daarnaast de toch al onzekere positie van het Bauhaus verder aan het wankelen zou kunnen brengen. Dit weerhoudt Van Doesburg echter niet om i.s.m. Werner Graeff en Nelly zijn eigen Stijl-cursus I te organiseren. Het doel van de cursus is "1 de presentatie van de reeds in 1916 in De Stijl ontwikkelde basisbegrippen voor een nieuwe, radicale vormgeving (cursus A)" en "2 met deze algemene basisbegrippen voor de beeldhouwkunst als uitgangspunt het 'Gesamtkunstwerk' voor te bereiden (cursus B)". De cursus vindt van 8 maart tot 8 juli elke woensdag plaats van 7 tot 9 uur in het atelier van Peter Röhl, een van Van Doesburgs meest vurige aanhangers.

Op 24 maart 1922 schrijft hij zijn vriend Walter Dexel dat zijn cursus een succes is en dat de meeste studenten afkomstig zijn van het Bauhaus. Ook in het Bauhaus zelf is de invloed van Van Doesburg merkbaar. Het residentietheater van Weimar wordt in 1921 op aanwijzing van Van Doesburg door Bauhaus-studenten beschilderd volgens de uitgangspunten van De Stijl, Oskar Schlemmer ontwerpt eind 1921 een nieuw en hoekig Bauhaus-vignet en Gropius verandert het motto van het Bauhaus van "Kunst en ambacht - een nieuwe eenheid" in "Kunst en techniek, een nieuwe eenheid", terwijl Itten zijn ontslag indient. Deze stapsgewijze koerswijziging van het Bauhaus eist Van Doesburg vrijwel onmiddellijk voor zich op. Toch schrijft een gefrustreerde Van Doesburg in december 1922, terugkijkend op zijn verblijf in Weimar, dat er in Duitsland sprake is van een "zucht naar mystiek en een filosofisch-gebondene en systematisch gekweekte denkwijze" en "slechts een minstens even sterke systematiek in de uiteenzetting der beeldingsmiddelen en hun toepassing kon deze hinderpalen niet teniet doen". In het tijdschrift Mécano schrijft hij later in 'Bilanz des Staatlichen Bauhauses in Weimar' (eindbals van het Bauhaus) provocerend: Van buiten kwadraat, van binnen Biedermeier' (zie afbeelding links). Toch stuurt Van Doesburg in 1924 een solidariteitsbetuiging naar het politiek in het nauw gedreven Bauhaus. Voorjaar 1922 hield Van Doesburg op verschillende locaties in Duitsland de met lantarenplaatjes ondersteunde lezing 'Der Wille zum Stil', begeleid door pianospel van Nelly.

Van 29-31 mei 1922 zijn Theo en Nelly aanwezig op het Eerste Internationaal Congres van Progressieve Kunstenaars in Düsseldorf. Het doel van dit congres is te komen tot een soort 'internationale van (vooruitstrevende) kunstenaars', maar Van Doesburg, Hans Richter en El Lissitzky verhinderen dit door de vorming van een meer exclusieve fractie van constructivisten. In juli brengt Van Doesburg samen met Nelly en Antony Kok, die zijn vakantie die zomer met hen doorbrengt, een bezoek aan László Moholy-Nagy in zijn Berlijnse atelier om te komen tot de oprichting van een 'Internationale Beeldende Arbeidersgemeenschap' of een 'Internationale van Kunstenaars'. Op 25 september organiseert Van Doesburg een congres voor deze gemeenschap, waarvoor hij al zijn constructivistische collega's uitnodigt, inclusief oud-studenten van zijn Stijl-cursus: Werner Graeff, Nini Smit of Smith, Harry Scheibe, Cor van Eesteren, Hans Richter, Alexa Röhl, El Lissitzky, Bernhard Sturzkopf, Max en Lotte Burchartz, Peter Röhl, Hans Vogel, Lucia en László Moholy-Nagy en Alfred Kemeny. Het congres wordt afgesloten met een dadaïstische avond in Hotel Fürstenhof, waarvoor hij zijn dadaïstische vrienden Tristan Tzara, Hans Arp, Kurt Schwitters en Raoul Hausmann uitnodigt. Hierdoor is dit congres bekend komen te staan als 'Internationaal congres van Konstructivisten en Dadaïsten'. Van Doesburg geeft die avond in een voordracht weer eens flink af op het Bauhaus en begint steeds harder te schreeuwen, terwijl Nelly hem begeleidt met een constructivistisch pianostuk. Ook een aantal Bauhaus-studenten scheldt hun mede Bauhäuslers uit met de woorden: ‘Jullie zijn allemaal Romantici!' Van een Constructivistische Internationale komt het niet. Lissitzky, bijvoorbeeld, kan zich niet vinden in Van Doesburgs 'primitieve utilitarisme'. Wel organiseert Van Doesburg hierna nog dada-avonden in Jena (27 september) en Hannover (29 september). Begin december keert hij weer terug naar Nederland.

In de winter van 1922-1923 verblijft Van Doesburg op Klimopstraat 18 in het door Wils ontworpen complex Daal & Berg in Den Haag. Hoewel Wils toen geen lid meer van De Stijl was, was Van Doesburg zeer te spreken over het ontwerp en publiceert er foto's en tekeningen van in het vijfjarig jubileumnummer van De Stijl. Ondertussen zorgen zijn kleurontwerpen in Drachten voor zoveel commotie, dat hij er zich op 22 december 1922 in de lezing 'De kleur in onze woning' voor komt verantwoorden.

In de eerste maanden van 1923 trekt Theo van Doesburg samen met Kurt Schwitters, Nelly van Moorsel en Vilmos Huszàr door Nederland om dada te promoten in de zogenaamde dada tournee. Op 12 maart organiseert hij met Schwitters, Van Moorsel en Huszar nog de 'Moderne Soirée' in de Haagse dansschool van Lily Green[69] en op 28 maart geeft hij een lezing voor de SAJO, eveneens in Den Haag. Dat voorjaar wordt hij ook door de Franse schilder Albert Gleizes en de Spaanse schilder Olazabal voorgedragen als erelid van de Maison de l'Amérique Latine en de Académie Internationale des Beaux Arts in Parijs.

Theo en Nelly van Doesburg werkend aan de maquette van het Maison Particulière, Parijs. 1923.In het voorjaar van 1923 weet Van Doesburg eindelijk een geschikte architect te vinden om de eerder door Leonce Rosenberg toegezegde tentoonstelling voor te bereiden (de architecten Van 't Hoff, Oud en Wils hadden de groep immers eerder verlaten). Eind maart 1923 verzekert namelijk Cor van Eesteren, die Van Doesburg op 4 mei 1922 in Weimar tijdens een studiereis door Centraal-Europa ontmoette, zijn medewerking aan het project. Tussen 24 juni en 15 oktober maken Van Doesburg en Van Eesteren, in een atelier aan de Rue du Moulin Vert in Parijs, diverse tekeningen en maquettes rondom vier projecten: Hotel particulier, Maison particulière, Maison d'artiste en een bewerking van een eerder door Van Eesteren gemaakt ontwerp, een Hall van een Universiteitsgebouw. Het Hotel particulier en Maison particulière is grotendeels het werk van Van Eesteren, terwijl de maquette van Hotel particulier van de hand van Gerrit Rietveld is. Het Maison d'artiste wordt grotendeels aan Theo van Doesburg toegeschreven. De tentoonstelling vindt van 15 oktober tot 15 november van dat jaar plaats onder de titel Les Architectes du Groupe "De Styl". Ook was op deze tentoonstelling werk te zien van Vilmos Huszar, Willem van Leusden, J.J.P. Oud, Ludwig Mies van der Rohe en Jan Wils. In een speciaal dubbelnummer van De Stijl (jaargang 6, nummer 6/7) worden, n.a.v. deze tentoonstelling, diverse foto's en tekeningen gepubliceerd, bijgestaan door het manifest 'Tot een beeldende architectuur' van Theo van Doesburg. Maar de ontwerpen blijven papieren architectuur en de tentoonstelling wordt matig-positief ontvangen. Volgens Paul Overy had de tentoonstelling echter wel directe invloed op Le Corbusier wat betreft de toepassing van kleur in architectuur en het gebruik van axonometrische projecties in diens ontwerpen. Begin 1924 zijn de 'Rosenbergontwerpen', naast werk van Franse architecten, opnieuw te zien in de École Spatiale d'Architecture.

Contra-Compositie met dissonanten XVI. 1925. Gemeentemuseum Den Haag.Op 1 februari 1924 vestigen Nelly en Theo zich op 84, Avenue Schneider in Clamart, waar ze tot eind 1927 blijven wonen. Hier is Van Doesburg "bij gebrek aan bouwopdrachten, weer verwoed aan het schilderen geslagen", zo schrijft hij op 27 augustus 1925 aan César Domela Nieuwenhuis. Naar aanleiding van de axonometrische tekeningen van de Rosenbergontwerpen, de Contra-constructies, introduceert Van Doesburg de diagonaal in zijn werken. Zo creëert Van Doesburg een nieuwe richting in zijn oeuvre die hij elementaristisch noemt, zonder daarbij echter de uitgangspunten van de Nieuwe Beelding los te laten. In zijn serie Contra-Composities (tegencomposities), die hij hoofdzakelijk in de periode 1924-1925 maakt, zijn beide stijlen vertegenwoordigd. Van Doesburg geeft nog wel lezingen. Zo wordt hij eind 1924 door het comité van het Muziek- en Theater-feest in Wenen uitgenodigd in het Konzerthaus enige voordrachten te houden over de 'Konsequenties van het Constructivisme'.

Tijdens een, in verband met de internationale Exposition des Arts Décoratifs, die van april tot oktober 1925 in Parijs plaats zal vinden, op 25 oktober 1924 gehouden conferentie in Hotel Majestic wordt besloten tot het houden van een internationaal congres voor moderne kunst. Van Doesburg wordt benoemd tot voorzitter van dit congres en zal bijgestaan worden door de architecten Guévrihiau en Feuerstein en de schilders Josef Sima en Karel Teige. Ondanks een aanmoediging van ambassadeur Loudon, besluit de Tentoonstellingsraad dat niet De Stijl Nederland zal vertegenwoordigen tijdens de Exposition des Arts Décoratifs, maar de Amsterdamse School. Van Doesburg protesteert hier heftig tegen bijgestaan door een groot aantal kunstenaars uit heel Europa en zelfs Amerika, onder wie ook Oud en Wils.

'Ban und Einrichtung' nodigde Van Doesburg uit op 15 en 16 januari 1925 twee lezingen in Berlijn te geven. De vicomte en vicomtesse de Noailles geven Van Doesburg in het voorjaar van 1925 opdracht een kamer voor het snijden van bloemen in hun door Robert Mallet-Stevens ontworpen villa in Hyères te ontwerpen.

Zijn appèl krijgt bijval, want van 30 november tot 21 december van dat jaar organiseert de Poolse kunstenaar Victor-Yanaga Poznanski de tentoonstelling Art d'aujourd'hui (Kunst van heden), waar werk te zien is van Van Doesburg, Mondriaan, Huszàr, Domela en Vordemberge-Gildewart. Tijdens de opening werd muziek gespeeld van de Amerikaanse componist George Antheil, die Van Doesburg kort daarvoor tot Stijlmedewerker 'benoemde'.

In 1926 werd Van Doesburg door het echtpaar Hans en Sophie Arp-Taeuber benaderd om hen te helpen bij de herinrichting van het de Aubette in Straatsburg, waar de broers Paul en André Horn een groot amusementspaleis in wilden vestigen. De broers gaven hen carte-blanche. Najaar 1926 werd het contract gesloten en tegen februari 1927 waren de ontwerpen van zowel Van Doesburg als de Arps grotendeels gereed (zie toegepaste kunst). Deze 'nieuwe elementaire [...] interieurs', zoals Van Doesburg ze op de officiële uitnodiging uit februari 1928 noemt, behoren in zekere zin tot de 'zuivere monumentale schilderkunst' waarvan hij al in 1918 van sprak. Hiermee had hij zijn doel 'den mensch in (in plaats van tegenover) de beeldende kunst te plaatsen' bereikt. Van Doesburg ontwierp ook een speciaal Aubette-lettertype voor de bewegwijzering in het gebouw en de neo-letters aan het exterieur (zie toegepaste kunst). Ook gaf hij een bijzonder goed verzorgd, speciaal Numéro consacré à l'Aubette, Strasbourg van De Stijl uit (Nr. 87, 88, 89), dat gedrukt is op kwaliteitspapier en hoogstaande reproducties bezit. Hiervoor moest hij zich zodanig in de schulden steken, dat het het laatste door hem uitgegeven nummer van De Stijl zou worden. Naast deze uitgave en een artikel van nota bene Van Doesburg zelf in Bouwbedrijf, werd de Aubette, tot zijn verdriet, vrijwel geheel door de vakpers genegeerd. Alleen de Amerikaanse architectuurcriticus Henry-Russell Hitchcock schreef in 1929: 'Here Elementarist painting so dominates the designs that they have little architectural existence'.

Ook de bezoekers van de Aubette waren niet gecharmeerd van de nieuwe interieurs en dus liet de uitbater van de Aubette, Ernest Heitz, de interieurs al snel ontsieren door het aanbrengen van schrootjes, kunstbloemen en kleurverlichting. In 1928 schreef Van Doesburg in zijn dagboek: 'Scheppen is de meest troostelooze en teleurstellende bezigheid, waarmede God den mensch gekastijd heeft'. In een brief aan Bart de Ligt schreef hij dat hij geruïneerd en teleurgesteld uit Straatsburg terugkeerde en weer terug bij af was, net als in 1923.

Atelier Theo van Doesburg, Meudon (achterzijde). 1927-1930.Net als in 1923, na de Rosenbergtentoonstelling, begon Van Doesburg na het Aubette-fiasco weer te schilderen. Van juli 1928 tot december 1930 huurde Van Doesburg een atelier in Villa Corot op de Rue d'Arcueil 2 in Parijs. Hij keerde zich tegen het publiek door 'gevoel-' en 'fantasieloze' schilderijen als Aritmetische compositie te maken, waar het intuïtieve van De Stijl plaats maakte voor harde, controleerbare wiskundige principes.[90] Nadat hij op 24 november 1928 met Nelly in het huwelijk was getreden, voltooide hij in juni 1929, met de hulp van de student bouwkunde Abraham Elzas, het ontwerp van een huis en atelier, waar hij in de tweede helft van 1927 al mee was begonnen.[88] Dezelfde maand kochten Theo en Nelly een stuk grond in de Parijse voorstad Meudon, dat op Nelly's naam, Mme. P. Küpper-van Moorsel, kwam te staan. In oktober was hij in Nederland i.v.m. de door Nelly georganiseerde tentoonstelling Expositions sélectes d'art contemporain, waarvoor hij op 13 oktober een lezing gaf in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Die maand bezocht hij ook de familie Milius in Den Haag. In december 1929 richtte hij de internationale kunstenaarsclub Art Concret op. In de eerste weken van mei 1930 reisde het echtpaar Van Doesburg naar Spanje, waar Theo lezingen gaf in Madrid en Barcelona. Op 16 juni 1930 ondertekende hij in het bijzijn van vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk een certificaat waarin hij afstand deed van 'de ketterij van Luther'.

In 1924 ontstond bij Van Doesburg het idee een stad te ontwerpen in antwoord op Le Corbusiers Plan Voisin. Hij vond Le Corbusiers ontwerp, hoe revolutionair het ook was, als 'frontale stad' te traditioneel en stelde hier zijn Verkeersstad of La cité de circulation tegenover. De bedoeling was deze in 1925 tentoon te stellen op de Exposition des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs, maar daar is het nooit van gekomen. Omstreeks juli 1929 heeft Van Doesburg dit plan, vermoedelijk in samenwerking met Abraham Elzas, verder uitgewerkt en gepubliceerd in het Duitse tijdschrift Architektur der Gegenwart.

Van 1927 tot 1929 ontwierp Van Doesburg een woonhuis annex atelier, dat van 1929 tot 1930 gebouwd werd in de Parijse voorstad Meudon en dat tegenwoordig bekend staat als Atelier Theo van Doesburg. Door omstandigheden werd het een eenvoudig, wit modernistisch gebouw, geheel in tegenstelling tot zijn in 1923 ontworpen Maison d'Artiste. Wel paste Van Doesburg in dit ontwerp kleur toe: de voordeur blauw, de garagedeur geel en de deur die toegang geeft tot het dakterras rood. Het wordt door sommige kunsthistorici tot de Nieuwe Zakelijkheid gerekend, terwijl anderen er nog steeds de uitgangspunten van De Stijl in terugvinden. Een maquette van dit huis (waarschijnlijk gemaakt door Gerrit Rietveld) is in het bezit van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het huis zelf bevindt zich aan de Rue Infroit 29 in Meudon-Val-Fleury, maar is - omdat het verhuurd wordt aan kunstenaars - niet toegankelijk voor publiek. In december 1930 betrok het echtpaar Van Doesburg het huis, dat Theo tot een nieuw centrum van collectieve activiteit wilde maken. In februari 1931 vond er een bijeenkomst plaats, die, na zijn dood, zal leiden tot de oprichting van het invloedrijke Abstraction-Création.

Voorjaar 1931 werden zijn astma-aanvallen echter steeds heftiger en er werd door zijn vrienden een inzamelingsactie gehouden zodat hij behandeld kon worden. Eind februari 1931 vertrok hij met Nelly naar het Zwitserse Davos om van zijn astma te herstellen. Op 7 maart daaropvolgend overleed hij echter op 47-jarige leeftijd onverwacht aan een hartstilstand.

Van Van Doesburg bestaan veel (zelf)portretten. In 1924 nam Lucia Moholy-Nagy, de vrouw van László Moholy-Nagy, een serie portretfoto's van hem, en-face (met vlinderstrikje) en en-profil (samen met Nelly). In hetzelfde jaar maakte de Hongaarse Bauhaus-student Sándor Bortnyik een satirische collage op Van Doesburg, waarin hij hem 'opsluit' in zijn eigen vierkante De Stijl-constructie. In de achtergrond van deze collages zijn de betonwoningen van Pauw en Van Hardeveld in Rotterdam-Zuid te zien, die Van Doesburg in 1921 in De Stijl publiceerde.[99] In het depot van het Instituut Collectie Nederland in Rijswijk bevindt zich ook een dodenmasker van Van Doesburg (inventarisnummer AB6039).

Lees verder

Kunststromingen: Stijl (De)

Werken in het archief (7)
Nieuws (1)
Signatuur